Boutkunstboeken en ‘more’

De boutkunstboeken BVKR-1815 XI en  BVKR-1815 XII verwoorden en verbeelden de wereld van Peter M. Westenbrink. Mijn wereld. Deze wereld ligt in het ‘moer’, waarvoor De Groote Rondeveense Polders model heeft gestaan. Daar zoekt de boutkunstenaar naar betekenis.

‘Moer’ betekend ‘drassig land’. Een ander woord voor ‘moer’ binnen deze context is ‘veen’ (denk daarbij aan ‘moeras’ en het Engelse ‘Moor’, maar ook aan ‘modder’). Het woord ‘moer’ kennen we ook als vorm voor ‘moeder’.

Maar het woord ‘moer’ is vooral bekend als een zeshoekig voorwerp, doorgaans van metaal, met in het midden een gat met schroefdraad, oftewel: een moer.

Die ‘zeshoek met gat’ is karakteristiek voor de moer waarmee bouten vastgedraaid worden. Dezelfde karakteristiek heeft de contouren van de gemeente De Groote Rondeveense Polders; het heeft een vergelijkbare vorm als een moer.

De boutkunstenaar, ik dus, onderzoekt die vorm, en dat doe ik door een verhaal te vertellen, een mythe te creëren; de mythe van de moer die uit de lucht kwam vallen, in een tijd dat men nog dacht dat de aarde 2D was. Ter illustratie heb ik daar een animatie van gemaakt, zie hieronder.

Ik ben niet in De Ronde Venen geboren (en ik ben ook niet met die moer uit de lucht komen vallen, wat mij gekscherend weleens gevraagd wordt).

Ik was 2½ jaar oud toen mijn ouders zich in ‘het moer’ vestigden. Zelf heb ik daar geen actieve herinnering aan. Van mijn bestaan werd ik mij bewust toen ik een knalgeel voorwerp in de huiskamer aantrof (wat een houten speelgoedgarage bleek te zijn). Daarbij hoorde ik iets over zwarte vegen (het was dus 5 december, 1960). Op deze vroegste herinnering volgen beelden van een sloot, een weidse groene vlakte, koeien en het geluid van boomstammen die in de veengrond werden gestampt.

Tot aan de zomer van 1967, toen ons gezin verhuisde naar het zuiden, zou, ondanks de gevolgen van de wederopbouw, weinig aan dit ‘polderbeeld’ veranderen. Toch is het niet compleet zonder het noemen van een sloopbedrijf niet ver van mijn school. Bij het passeren van de sloperij, op mijn fietsroute school / huis, stopte ik daar geregeld en ‘bestudeerde’ dan de zwaar verroeste schroothoop dat het gehele erf een desolate maar tegelijkertijd magnifieke aanblik gaf. Behalve joekels van lagerkogels, zag ik kanjers van  klinknagels, bouten en moeren. Het fascineerde, het was schitterend, maar waar keek ik naar?

Boutkunst?

‘Boutkunst is voor de liefhebber’, schrijf ik in mijn blog Boutkunst is geen moer aan. Vanwege dat ‘geen moer aan’, iets dat ‘niets voorstelt’, laat Boutkunst zich moeilijk omschrijven. Een duidelijke definitie voor mijn kunst is er niet. Ik zoek en onderzoek. Ik wroet in mijn verleden, waarvan onuitwisbare sporen in mijn belevingswereld staan gekrast, zoals die sinterklaasavond en sloperij. Met mijn fascinaties voor geschiedenis, filosofie, ruimtevaart, wetenschap (astronomie en kwantumfysica in bijzonder) en techniek, probeer ik deze krassen te duiden. Dat zet mij in het nu, waar zowel mijn idealistische als realistische natuur met elkaar lijken te wedijveren.

Of verwoorden en verbeelden de boutkunstboeken een absurde poging tot verzoening? Een heling van ‘het romantische’, waarbinnen mijn ratio te lang de boventoon heeft gevoerd? Die poging maakt dat Boutkunst niet het werkelijke bestaan van bouten en moeren onderzoekt, maar een associatief beeld- en taalspel is; van beeldrijm en klankrijm, van stemming en bestemming.